Kinderen kunnen gemeen zijn, soms zonder het door te hebben. Tegenwoordig wordt het meer er- of herkend dan vroeger. Een klasgenoot van mij kreeg de bijnaam 'bubbeldekker', want haar achternaam was Dekker en ze droeg een bril. Rood haar verduvelde direct het hart van de plaaggeest. De achternaam 'Hamerslag' werd 'Hagelslag' en dan lachen natuurlijk. Het venijn werd door de plagers niet gevoeld, maar stak voor de geplaagden des te meer. Dat het soms blijvend letsel en onzekerheid opleverde, dat wist alleen het slachtoffer, of is dat tegenwoordig 'de tot slachtoffer gemaakte'?
Het is een goede ontwikkeling dat er veel meer aandacht is voor pesterij, zeker nu dat via social media niet meer binnen de perken van het schoolplein blijft stuiteren, maar als een tsunami over een kind heenkomt.
Ergens de angel uithalen is altijd goed; enkele uitzonderingen daargelaten.
Mijn opa probeerde mijn broer en mij vroeger aan een eigen groentebed in de moestuin te krijgen, maar dat lukte niet echt. We bleven altijd steken bij radijsjes en een enkele wortel. Als we dan eindelijk oogsten, bleken die rode knolletjes niet te vreten zo scherp. We waren niet heel ongehoorzaam, maar hierbij trokken we een lijn.
We vonden ons soms ook best 'zielig', want de aalbessen waren wrang en zaten vol pitjes, ook de zwarte bessen waren niet zoet, de kruisbessen slijmerig, van de zure appeltjes kregen we buikpijn en de tuinbonen hadden bittere schillen die ook nog eens oogden als de verschrompelde huid van een kettingroker. Allemaal 'confronterend'.
Maar net als bij het pesten, is er veel veranderd.
De radijzen die ik vanmorgen op het Buikslotermeerplein kocht, smaken als waterballonnen.
De pit is uit de aubergine, het bittere is uit de spruit, ook van de witlof hoeven we niks te vrezen en kruisbessen en zwarte, zijn vervangen voor blauwe bessen die zo onnatuurlijk bol staan, dat je meteen weet dat ze voor de bulk en niet voor de smaak zijn gekweekt.
Pieken en dalen kennen we, net als in ons langschap, ook in onze producten niet meer.
Een bewijs van deze ontwikkeling zie ik in een programma over een Italiaanse pruimtomaat die van origine (met een bescherme status) uit een gebied bij Napels komt, maar nu ook op een synthetisch bedje in een Nederlandse kas vertoeft. Hij ligt pront in de super, terwijl deze soort niet geschikt is voor verse bereidingen; de pruimtomaat is vlezig en melig en speciaal voor puree, soep en saus. Maar weten 'wij' veel. De Nederlandse handelsman ziet kansen in de populariteit van de blikken Mutti (met de echte san marzano tomaat) die samen met de (door koperen walsen geperste) spaghetti van Molisana voor veel geld in de schappen liggen. De Hollandse tomaten krijgen zonder ooit voet in de grond te kunnen zetten, sondevoeding en kunstmatig zonlicht, en dragen, als grootste verdienste, bij aan een record: Nederland levert de meeste tomaten ter wereld. Dat ze in niets naar het origineel smaken, maakt dan helemaal niet uit. Ik moet toegeven: qua watermanagment doen we het heel goed, ook in die tomaten, maar ik betreur de smaakvervlakking en zou nu wel willen dat ik weer in zo'n pittig radijsje kon bijten.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten